Klassen 1 t/m 6

Elke schooldag begint met het geven van een hand aan de juffie of meester en de ochtendspreuk. Hierna volgt ruim anderhalf uur periodeonderwijs. Na de pauze is het tijd voor vaklessen en de kunstzinnige vakken.

Klas 1

Eersteklassers worden langer en slanker en verliezen de kleutergestalte. De tandenwisseling is al bezig of gaat beginnen. Nu het lichaam in hoofdlijnen is voltooid, komen krachten vrij voor een nieuwe ontwikkelingsfase met nieuwe vermogens, namelijk de krachten van het zich nu sterk ontwikkelende geheugen. De eersteklasser wil leren, weten en kennen. Maar nog niet op de manier van een volwassene. De eersteklasser zoekt geen logische verklaringen of theorieën, maar levende beelden waarmee hij zich innerlijk kan verbinden. De eersteklasser leert niet alleen met zijn verstand, maar vooral met zijn hart en zijn handen. Hij denkt in voorstellingen; iets is pas waar als het kan worden beleefd en gedaan. Dat blijft de komende jaren zo.

In de fantasievolle belevingswereld van de eersteklasser passen bij uitstek de rijke beelden uit de volkssprookjes. Menselijke, sociale en geestelijke waarheden worden daarin op een uiterst concrete en beeldende manier gebracht, zonder uitleg of moralistische beoordeling. De vertelstof wordt in het onderwijs ingeweven, vooral in het periodeonderwijs. Maar ook de vaklessen kunnen op de sprookjesbeelden aansluiten.

Bij het schrijven gaat de leerkracht uit van letterbeelden die voortkomen uit de vertelstof. De motorische vaardigheden, nodig om te kunnen schrijven, worden gestimuleerd door het vormtekenen.

Het rekenen leren de kinderen vanuit het doen, de eigen activiteit. We tellen met kastanjes, kralen en ballen, met handen en voeten, met klappen en stampen. Vanuit het tellen worden ritmisch lopend de getallenreeksen van de eerste tafels van vermenigvuldiging geoefend. Voordat met het tellen en rekenen wordt begonnen, probeert de leerkracht eerst een verbinding met de getallenwereld te maken.

De kinderen verwerken de stof in hun periodeschrift.

Met heemkunde wekken we belangstelling op voor de natuur, de seizoenen, planten en dieren. Het gaat hierbij om de directe omgeving waarin de kinderen wonen en leven. De heemkundeperiodes leggen de basis voor de latere vakken aardrijkskunde, biologie en natuurkunde; het integreert deze vakken tot één geheel.

Klas 2

Tweedeklassers maken een periode door waarin de fantasie en beweeglijkheid nog volop aanwezig zijn, waarbij ze vragen om richting en structuur om dat te uiten. Kinderen zijn zich in deze leeftijd meer bewust van stemmingen en persoonlijke eigenschappen van anderen en steeds meer van zichzelf. De tweedeklasser leeft met het hart op de tong. Steeds meer komt het individuele kind naar voren.

Fabels en legenden zijn rijke bronnen van vertelstof voor de tweedeklassers.

In de les wordt met behulp van gedichtjes, ritmische oefeningen, voordragen en toneelspel de spreekvaardigheid en de uitspraak verder ontwikkeld. Het leren schrijven sluit aan op wat de kinderen zelf gesproken of voorgedragen hebben. De eerst nog losse letters gaan geleidelijk over in lopend schrift. Veel aandacht wordt besteed aan het vorm geven van de letters en de verbindingen ertussen.

In de rekenperiodes leren de kinderen zich vrij bewegen in de getallenwereld tot honderd, de tafels van vermenigvuldiging tot en met twaalf worden aangezet. Reeksen worden oplopend en afdalend hardop gesproken en bijvoorbeeld lopend geoefend.

Heemkunde stimuleert de kinderen tot een bewustere en fantasievolle verbinding met de eigen omgeving. De aandacht in de eerste klas voor planten, dieren en jaargetijden wordt nu verder uitgebreid. De onderlinge samenhang krijgt de nadruk.

Klas 3

De derdeklasser kent een zekere harmonie en toont zich speels volgzaam. Wel is duidelijk te merken dat het kind in die fase een zekere levensperiode gaat afsluiten, ook wel de ‘gouden kindertijd’ genoemd. Hij is zich meer bewust van wat om hem heen gebeurt; merkt dat andere kinderen anders zijn en andere gevoelens hebben. Voornamelijk de eindigheid van het leven krijgt omstreeks het negende levensjaar een bewustere klank. De kinderen stappen in de cultuur, ze worden een kind van hun tijd. Afspraken kan de derdeklasser al goed hanteren en verwacht dat ook van klasgenoten. Ze zijn nieuwsgierig. Voortdurend wordt gevraagd hoe het zit. Mensen die iets weten, ergens verstand van hebben, of iets goed kunnen, worden belangrijker. Vriendschappen worden intensiever en de verstandhouding met hun leerkracht komt stilaan in een kritischer licht te staan.

Verhalen uit het Oude Testament vormen een draad van vertelstof door de derdeklas. De verhalen zijn, evenals de heiligenlegendes, niet kerkelijk maar zuiver pedagogisch bedoeld.

Er zijn verschillende taalperiodes. Het spreken wordt verder ontwikkeld door hun individuele spreuken, gedichten, ritmische oefeningen en recitaties. Dit veelal in verband met de vertelstof. De leerlingen leren vloeiend te schrijven in een licht hellend schrift. Er wordt veel aandacht gegeven aan het handschrift, de vormgeving van de letters en verbindingen en vooral de hoofdletters. Vanuit de beelden van de vertelstof maken ze kennis met de werkwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. De spellingsregels worden aangeboden en toegepast. Een derdeklasser leert verhaaltjes en gedichtjes te schrijven.

Tijdens de verschillende rekenperiodes wordt gerekend aan de hand van situaties uit het dagelijks leven, zoals het werken met geld en het meten.

De heemkundeperiodes staan in het teken van beroepen en ambachten. Daarnaast blijft de aandacht voor de natuur. Eén van de periodes wordt meestal besteed aan huizenbouw. Alle beroepen die hierbij aan de orde zijn, kunnen aan bod komen. Tevens zal een aantal ambachten worden besproken en zo mogelijk ook uitgeoefend. Het kind leert de weg kennen en vooral beleven van de ambachtelijke methode van werken naar de industriële manier van werken.

Klas 4

De kinderen zijn negen à tien jaar, een woelige leeftijdsfase volgens veel ouders en leerkrachten. Talrijke pedagogen van naam hebben deze leeftijd bestudeerd en er namen aan gegeven, bijvoorbeeld latentieperiode. Wat is er aan de hand? De vanzelfsprekendheid waarmee het kind tot deze leeftijd nog alles opnam, verdwijnt. Het idealiseren van meester of juffie is aan het verdwijnen; de natuurlijke autoriteit wordt wel aanvaard, maar er ontstaat ook een kritischer beeld. Voelde het kind zich voorheen nog als vanzelfsprekend opgenomen in de omgeving, nu is er een breuk ontstaan tussen ‘ik’ en de wereld, tussen subject en object. De uitingen zijn emotioneel getint en de kritiek kan scherp zijn, ook op andere kinderen en uiteindelijk op zichzelf.

De scheiding tussen ‘ik’ en de wereld heeft een positieve keerzijde: de eigen individualiteit wordt sterker beleefd. Eerst nog aarzelend en schoksgewijs, maar duidelijk vanaf de vijfde klas ontstaat het vermogen de wereld meer onbevangen, nauwkeuriger en wat objectiever waar te nemen. In vierde klas beginnen we met een nieuwe ochtendspreuk: ‘Ik zie rond in de wereld, waarin de zon haar licht zendt.’

De vertelstof van de vierde klas heeft betrekking op de oud Germaanse mythologie, die bij uitstek uitdaagt tot de ik-ontwikkeling.

Bij de verschillende taalperiodes gebruiken we spreekoefeningen voor een juiste uitspraak en om goed te leren vertellen. Verder beginnen we met het schrijven van brieven. Bij opstellen ligt de nadruk op het verzorgd schrijven wat vorm en inhoud betreft en op de verschillen in de verhaaltrant. Begrijpend lezen én luisteren bevorderen de sociale vaardigheid. De grammatica benadrukt hoe verandering van werkwoordsvormen samenhangt met tijd en onderwerp. Ook wordt aandacht besteed aan toneel, raadsels oplossen, dichten en improviseren.

Het hoofdrekenen en cijferen wordt uitgebreid naar getallen boven de duizend. Nieuw in de vierde klas zijn de breuken: de één als geheel die op tal van manieren te verdelen is. Het meten en weten wordt gestandaardiseerd. Uiteindelijk komt men terecht bij het metrieke stelsel.

De heemkunde kan overgaan naar periodes met aardrijkskunde/geschiedenis, en dierkunde. De geschiedenis wordt gebracht in samenhang met de aardrijkskunde en heeft vooral betrekking op de eigen woonomgeving. Ook komt de geologische ontstaansgeschiedenis van Nederland aan bod.

Bij de aardrijkskunde maken we kennis met het ingrijpen van de mens in de natuurlijke omgeving zoals dijkenbouw, ontginning en inpoldering. Ook de topografie van Nederland wordt behandeld.

Aan de dierkunde gaat een globale behandeling van de menselijke gestalte vooraf. De dieren worden in relatie daarmee behandeld, met hun kenmerkende kwaliteiten, eenzijdigheden, waar ze wonen en hoe ze leven.

Ook worden de elementaire verkeersregels behandeld.

Klas 5

De vijfde klas is vaak de meest harmonische klas van de basisschool. Een vijfdeklasser straalt zowel fysiek als geestelijk evenwicht uit.

De mythologie van vooral de Grieken is de basis van de vertelstof. Zij vertellen over deels denkbeeldige en deels fysieke werkelijkheid. De goden worden ontmaskerd; de herinnering aan een geestelijke wereld wordt stilaan verdrongen door het abstracte denken.

Tijdens de diverse taalperiodes behandelen we alle werkwoordsvormen. De grammatica benadrukt hoe verandering van werkwoordsvormen samenhangt met tijd en onderwerp. We breiden de kennis uit met de bedrijvende en lijdende vorm, de trappen van vergelijking en directe en indirecte rede. Verschillende soorten opstellen en het schrijven van brieven evenals tekst verklaren behoort tot de oefenstof.

Bij de rekenperiodes komen we aan bij het metrieke stelsel. Daarnaast verdiepen we de kennis over breuken tot en met cijfers achter de komma.

Met vormtekenen gaan we aan de slag met de passer.

In de vijfde klas krijgt het kaarttekenen meer detail en differentiatie, bijvoorbeeld in natuurkundige, topografische en economische kaarten. De topografische kennis verrijken we met de ons omringende landen in Europa. Ook de economische aardrijkskunde komt aan bod. Het kind leert hoe het via de spullen om zich heen verbonden is met vele mensen van over de hele wereld. Vaarwegen en luchtvaart komen hierbij ook aan bod.

In de plantkunde wordt de samenhang en totaliteit van het plantenrijk aangeboden. De planten komen naar voren met hun karakteristieken en in verband met het milieu waarin ze voorkomen.

Bij de geschiedenisperiode komen de verhalen en beschrijvingen van de oude culturen aan bod. De ontwikkelingsweg van het groeiende bewustzijn van de mens wordt getoond in de grote voorchristelijke culturen van het Oude India, het Oude Perzië, het Tweestromenland, het Oude Egypte en het Oude Griekenland.

Klas 6

De zesdeklasser staat aan het begin van de prepuberteit. Ze willen vrij zijn en het ware leven ontdekken. Ze zijn zeer aards (of materieel) ingesteld en willen graag weten wat de waarheid is, maar ze zijn ook nog dol op verhalen. Ze hechten nog sterk aan de volwassene, waar ze zekerheid en warmte van ervaren en die ze kunnen vertrouwen. Van bekende situaties, van grenzen en regels moet nu opnieuw de redelijkheid uitgelegd worden en zeer consequent worden toegepast. Daaraan ontlenen de kinderen de nog zo noodzakelijke veiligheid en zekerheid.

Geschiedkundige verhalen uit de Romeinse tijd en de daaropvolgende Middeleeuwen vormen de vertelstof voor de zesde klas. Zij sluiten aan bij de belevingswereld van elf à twaalf jarigen.

In de taalperiodes worden alle voorafgaande grammatica- en spellingsregels herhaald en verder uitgewerkt. Diverse stijlen in de taal komen aan bod. Verschillende soorten taalverwerking worden geoefend, zoals samenvattingen, opstellen en verslagen. Tevens wordt er aan tekst verklaren gewerkt.

Voor de zesde klas staat het dagelijkse leven centraal bij het rekenen. Breuken en procenten kunnen bijvoorbeeld praktisch gemaakt worden aan geld en bankzaken. Alle kinderen moeten nu kunnen rekenen op het voor hen hoogst haalbare niveau.

In de meetkundeperiodes worden figuren, die eerst uit de hand werden getekend bij het vormtekenen, nu met passer en geodriehoek geconstrueerd. De verdelingen van de cirkel in geometrische vormen worden ontdekt.

In klas zes worden bij aardrijkskunde de grote klimaten op aarde besproken in de klimatologie. In de geologie of mineralogie wordt het ontstaan van de aardegesteenten behandeld. Aan bod komen ontstaans-, afzettings- en omvormingsgesteenten.

De Romeinse cultuur, de Middeleeuwen, de Kruistochten en de islam, met hun invloeden tot in onze tijd komen aan de orde bij geschiedenis.

Tijdens de natuurkundeperiodes, doen we eenvoudige proefjes om het waarnemen van de kinderen te oefenen en waar aan de hand van de verschijnselen over mogelijke verklaringen wordt gedacht. Het goed leren waarnemen is belangrijk voor het sociale proces.

Het oude begrip handenarbeid heeft plaats gemaakt voor het vak: praktische vorming. Hierin zijn opgenomen houtbewerken, handwerken, tuinbouw en werken met de computer