Periodeonderwijs

Periodeonderwijs is een soort van terugkerend project werken, waardoor het onderwijs betekenis krijgt voor leerlingen. Het schoolkind leert doordat lesstof betekenis voor hem krijgt. Dit proces voltrekt zich als een kind zich met zijn gevoel met de lesstof kan verbinden. Het kind wil innerlijk door de stof geraakt worden. De leerstof in de onderbouw wordt om deze reden heel persoonlijk door de leerkracht gebracht en geïntegreerd met vertelstof, tekenen, schilderen, ritme en beweging, gedichten en toneel. Door nu één vak zoals bijvoorbeeld taal, rekenen, aardrijkskunde of dierkunde dagelijks gedurende een periode van drie à vier weken te laten terugkomen, kan zo’n opbouw goed en samenhangend tot stand komen. De periodestof wordt door het kind zelf beschreven, getekend en geschilderd in een periodeschrift. Dit schrift wordt dan uiteindelijk een zelfgemaakt leerboekje.

Vanaf klas vier is het periodeonderwijs ruimer vormgegeven, omdat de basisvaardigheden van het technisch lezen en het technisch rekenen zijn afgerond.

Vertelstof
In iedere klas vertelt de leerkracht enige malen per week een verhaal. Deze vertelstof vormt een rode draad door de lessen gedurende de hele schooltijd. Ieder leerjaar heeft zijn eigen verstelstof, die kenmerkend is voor de ontwikkelingsfase van het kind. Het onderwerp ontwikkelt zich van sprookjes in de eerste klas tot de Romeinse-, en middeleeuwse geschiedenis in de zesde klas. Het kind kan zich in deze vertelstof herkennen en zich laten inspireren. Daarnaast is de verstelstof een handvat voor rekenen, taal en de vaklessen.

Jaarfeesten
Voor kinderen is het goed om te ervaren dat het leven een feestelijk gebeuren is. Vandaar dat er op alle vrijescholen diverse jaarfeesten worden gevierd. Zo werken de kinderen al spelend en lerend van feest naar feest. Deze feesten zijn veelal verbonden met de terugkerende seizoenen. In het bijzonder voor onze jonge kinderen (peuters, kleuters en de laagste klassen) spelen ritme en regelmaat een grote rol. Alle jaarfeesten.